‘A boi fadon wreed mang’

‘Wat zeg je?’

‘Niets mama’

‘Laat me je niet horen he! Hier praten we alleen Nederlands. Heb je me gehoord?’.

‘Ja mama’.

En zo ging het meestal als ik vroeger een woordje Surinaams sprak. Mijn ouders waren er allebei van overtuigd dat hun kinderen geen Sranan tongo mochten praten, omdat ze hierdoor de Nederlandse taal niet machtig zouden zijn. Ze waren overtuigd, omdat de leerkrachten op school dat ook beweerden. Daarbij waren er nog meer ouders die dachten dat Sranan tongo een taal was voor op straat of de achterbuurten. ‘Nette mensen spraken alleen Nederlands’.  En zo was ik de enige in mijn klas die geen Surinaams sprak. Mijn klasgenoten dachten dat ik me daarvoor te goed voelde. Niets was minder waar. Ik verstond het, kon het spreken maar durfde het toch niet te spreken omdat ik bang was om door mijn leeftijdgenoten uitgelachen te worden.

Nu jaren later word ik ondanks die cursus Sranan tongo op de hogeschool nog altijd uitgelachen. En dan door mijn eigen kind.  Ik probeer vaker Surinaams te praten met mijn jongen, zodat hij de taal vanzelf oppakt. Hij is immers half-Surinaams dus ik wil dat hij het verstaat. Het enigste probleem is jammer genoeg zijn reactie daarop.

 

Voor het geval je het niet verstond: ‘A nyan switi’, gevolgd door een echte Surinaamse lach die wij ook wel ‘bar bigi lafu’ noemen. Hij zal misschien geen vloeiend Sranan tongo spreken, maar bar bigi lafu kan hij als de beste.

 

*A nyan switi = Het eten is lekker. 

**Bar bigi lafu = luidop lachen