In Suriname is het niet meer dan normaal als je een ruimte binnenkomt en de mensen groet.

“Goedemorgen”

“Fijne avond iedereen”

“Mensen, gefeliciteerd met de jarige”

Op de bus of restaurant. Noem maar op. We kunnen doodvreemden zijn van elkaar, maar we groeten elkaar als een teken van erkenning en respect.

En de ontvangers trekken geen grote ogen van verbazing en groeten terug. Dit is zelden enthousiast maar zelfs een bedeesd gemompel volstaat voor de tegenpartij.

Ik heb snel geleerd dat deze gewoonte HIER optioneel is.

“Groeten doen we aan het werk of bij familie en vrienden. Maar toch niet op openbare plekken. Waarom wel als je de mensen toch niet kent”

Hou dat punt, terwijl ik deze immense sker’ ai maak. Want ook beleefdheid is blijkbaar teveel gevraagd.

“Zarissa, je bent weer aan. Wie heeft je nu boos gemaakt?”

Ik ben niet boos. Ik ben woedend. En het lijkt waarschijnlijk overdreven, maar ik trek het me toch aan.

Want niemand is verplicht beleefdheid te tonen, zeker niet aan vreemden. Wan agu sa tan wan agu eenmaal.

Maar iemand die je haast dagelijks voorbijloopt in de gangen van het werk? Je werkt niet voor hetzelfde bedrijf maar weet van elkaar wel in welk werkhokje de ander hoort?

“Goedemorgen”

“Hallo”

De woorden botsen tegen een muur van stilzwijgen. De muur in dit verhaal heeft grijs, dunnend haar en toont geen greintje erkenning van mijn bestaan. Sterker nog: in plaats van te doen alsof die mij niet gezien of gehoord heeft, staart hij terug met lege blik. Je hoort hem denken: “Meiske, ik zie je staan maar ik weiger zelfs één woord tegen jou te zeggen”.

Wanneer ik mijn frustratie uit over de stille muur van het bureau naast ons, begrijp ik snel dat er meer achter zit.

“Ow, mij groet hij altijd. Een vriendelijke man zelfs”

Een vriendelijke man zelfs.

Mij groet hij altijd.

Ik ga niet zeggen waar ik denk dat het schoentje wringt. Want Gado sabi dat mensen zich persoonlijk aangevallen voelen wanneer we onze ervaringen delen.

Ik had mezelf hierna voorgenomen om dit onbeleefd mannetje gewoon niet meer te groeten. Probleem hiermee opgelost. Maar… mijn woede is nu vooral op mezelf gericht. Want door mijn opvoeding groet ik een ander impulsief.

“Goedemorgen”

En ieder keer weer. Die lege blik en de verrimpelde lippen stijf op elkaar gedrukt.

Dit verhaal heeft geen gelukkig einde. Geen lang en gelukkig, handjes in elkaar, samen huppelend door de gangen van het werk. We blijven enkel steeds in dezelfde routine vallen. Ik groet per ongeluk en hij negeert mij met alle opzet van de wereld.

Want wan agu sa tan wan agu eenmaal.