…diepe zucht. Daar gaan we weer. Voor de katabiljoenste keer word ik in het Frans aangesproken. Want in België gaat men door mijn huidskleur vanuit dat ik van Congolese afkomst ben. Dussss… natuurlijk spreek ik dan Frans. FOUT!!! Don’t judge a book by its cover, want deze vrouw spreekt geen woord Frans. Misschien een klein beetje español, omdat het vroeger moest op de MULO-school. Maar zeker geen Frans. En omdat mijn Nederlandse taalvaardigheid steeds in twijfel werd genomen, dacht mijn top drie ervaringen op te lijsten.

1.

Na het intakegesprek bij de receptie, een kort woordje met de dokter van dienst, enkele verpleegsters en de ouders van mijn kamergenoot, werd ik in mijn ziekenhuisbed naar de operatiekamer gebracht. De anesthesist vertelde na een korte babbel dat er nog een verpleegster zou langskomen om de baxter vast te maken en dan zouden ze eraan beginnen. En zoals beloofd, kwam er een verpleegster enkele minuten later aan mijn bed staan. Ze pakte mijn arm vast en met haar ogen gebood ze me haar lippen te lezen. “Spreekt u Nederlands”, vroeg ze traag. Ik rolde nog net niet mijn ogen en mommelde geïrriteerd een “ja”.

2.

Ik wandelde op mijn dooie gemak door de gangen van de Mediamarkt in Antwerpen. Ik had wat tijd te doden voordat ik naar mijn volgende afspraak moest. Plots dook één van de medewerkers voor mij en met een award wining staaltje talent begon hij in één adem zijn verkoopspraatje over, wat ik vermoed, het aanbod aan camera’s aan zijn rechterzijde. In. Het. Frans.

‘Hier gaan we weer’, dacht ik. Het duurde nog enkele minuten voordat de man even stopte om op adem te komen. Een ideaal moment om hem hierop te vragen: “Spreekt u toevallig ook Nederlands?”.  Zijn verbaasde blik was geld waard. Dit had hij echt… niet… verwacht. Rap stammelde hij zijn excuses en begon zijn verkoopspraatje in het Nederlands. En ik? Ik glunderde van binnen.

3.

De inburgeringslessen in Leuven waren één van de leukste momenten toen ik pas naar België verhuisde. De docent had bedacht dat we eens de stadsbibliotheek in Leuven moesten bezoeken en we konden ook meteen enkele boeken uitlenen. En terwijl enkele van mijn klasgenoten uit India en Italië boeken uitkozen om te werken aan hun Nederlands, pakte ik enkele boeken die al heel lang op mijn literatuurlijstje stonden. Ik gaf bij het uitchecken mijn pas en de bibliotheekmedewerker nam mijn boeken in het ontvangst, scande die en gaf ze terug. Toen ik haar bedankte, werden haar ogen zo groot als schotels en haar wenkbrauwen schoten omhoog. “Ooow, wat is uw Nederlands goed? Hoe lang ben je in België? Wat heb je dat snel opgepakt!”

Zucht…

** BONUS **

In Suriname wist ik altijd G.I. Joe style te tijgeren als ik merkte dat Jehova’s getuigen aan de poort waren. Ken je die zin nog: “Me moeder zegt dat ze niet thuis is?”. Ja, het was echt dok dok tori om een zondagspreek te vermijden. Ik ben nu volwassen en heb spijtig genoeg geen poort of bello in de tuin om ze tegen te houden. Dus toen die brave Jehova’s getuige met zijn schattige dochtertjes opeens voor mijn deur stond, kon ik het niet over mijn hart halen om ze weg te sturen. Nou, de man had veel te vertellen en leek echt verbaasd toen ik hem vertelde (let wel, in het Nederlands) dat ik boekjes als Wachttoren en Ontwaakt al kende. Hij verkondigde hierna vriendelijk hoe ik op hun website de bijbel en bijbelse teksten in alle talen kon raadplegen. “En vooral voor jou is het ook handig, want je kunt dan in het Surinaams lezen”. Vriendelijk bedoeld, maar ik vroeg me serieus af welke taal ik tot dat moment met hem had gesproken. Zelfs zijn oudste dochter keek hem na die opmerking  aan met een uitdrukkig van: “papa, meende gij da nu echt?”.